Activerende werkvormen zijn niet bedoeld om studenten simpelweg bezig te houden. In de kern gaat activerende didactiek over het stimuleren van actieve betrokkenheid: studenten doen mee, denken mee, brengen iets in, proberen uit en geven betekenis aan wat ze leren.
Maar daaronder ligt wat mij betreft een interessantere vraag.
Wat wil je eigenlijk activeren?
Want een student kan op heel verschillende manieren actief zijn. Je kunt kennis activeren. Maar ook nieuwsgierigheid. Eigenaarschap. Speelsheid. Emotie. Moed. Verbinding. Ervaring. Reflectie.
En pas als je weet wát je wilt activeren, kun je gericht werkvormen inzetten.
Van kennis tot moed
Daarom wil ik het woord activerend letterlijk nemen. Want wat wil je in een student raken en in beweging brengen? En wat wil je dat die beweging in gang zet? Activerende didactiek gaat wat mij betreft dan ook niet simpelweg over het inzetten van activerende werkvormen, maar over bewust kiezen wát je met zo’n werkvorm wilt activeren.
Een kenniscafé activeert bijvoorbeeld kennis én eigenaarschap. Je begint met een lege agenda die door studenten zelf wordt gevuld. Zij delen vervolgens in kleine workshops de kennis die al in de groep aanwezig is.
Een waarderend interview kan juist voorkennis en zelfvertrouwen activeren. Studenten onderzoeken aan de hand van hun eigen succesvolle ervaringen wat ze eigenlijk al weten over bijvoorbeeld het onderwerp Samenwerken, Onderhandelen of Leren. Er ontstaat een besef van: hé, ik weet hier al iets van. De theorie kan vervolgens ontdekte elementen uit deze oefening verdiepen.
En soms wil je iets heel anders activeren. Tijdens een tweedaagse over Spel en Spelen in het onderwijs, vroegen we deelnemers om naar buiten te gaan en een onbekende uit te nodigen tot een kleine speelse interactie. Opeens verlaat het onderwijs het veilige klaslokaal. Een simpele opdracht, waar veel moed voor nodig bleek. Deelnemers kwamen super enthousiast terug: ze hadden iets groots overwonnen.
Drie totaal verschillende activerende werkvormen, die allemaal iets anders activeren.
De vraag is niet: welke leuke werkvorm zal ik eens inzetten?
De vraag is: wat wil ik hier activeren?
De werkvorm volgt de intentie
Daar begint voor ons het ontwerpen van activerend onderwijs. We steken altijd veel tijd in het formuleren van een intentie (ontastbaar): Wat hoop ik dat de student gaat ervaren, gaat leren, gaat onderzoeken? En vervolgens ook: Wat wil ik als gewenste uitkomst (tastbaar).
Pas als je deze scherp hebt, kies je gericht een set aan passende activerende werkvormen. Want voor ons draait activerende didactiek niet om zoveel mogelijk activiteit in een les, maar om bewust kiezen wat je bij studenten wilt activeren en welke werkvorm daarbij past.
Dat voorkomt ook dat een les een soort werkvormenfestival wordt. Studenten voelen trucjes haarfijn aan als ze iedere tien minuten weer in een nieuw groepje moeten, een post-it krijgen of voor de volgende energizer moeten opstaan.
Meer activiteit betekent niet automatisch beter onderwijs.
Soms wil je energie creëren, soms juist verlagen. Soms laat je studenten eerst ervaren en bied je daarna theorie aan. Een andere keer geef je eerst uitleg en laat je studenten vervolgens met die kennis spelen, oefenen of experimenteren.
En soms is luisteren gewoon precies wat nodig is.
De werkvorm volgt de intentie, niet andersom.
Bouw voort op wat je activeert
Bij het ontwerpen van een les is essentieel: wat je activeert, moet ergens naartoe kunnen.
Als studenten in een werkvorm iets ontdekken, delen of creëren en je gaat daarna simpelweg door naar het volgende onderdeel, voelt zo’n werkvorm al snel als een tussendoortje. Of nog erger: als je iets activeert bij iemand en er vervolgens niets mee doet, kan het averechts werken. Dat geldt voor activerende opdrachten, maar net zo goed voor andere interactieve werkvormen in het onderwijs.
Wij proberen onderdelen daarom aan elkaar te rijgen. De opbrengst van de ene activiteit vormt de input voor de volgende. We noemen dat een string (of snaar).
Je kunt studenten bijvoorbeeld eerst laten ervaren wat ze al weten, daar samen patronen uit halen, vervolgens theorie toevoegen en ze daarna opnieuw laten oefenen.
Zo ontstaat flow.
Niet: werkvorm, theorie, werkvorm, pauze, volgend onderwerp.
Maar een doorgaande beweging waarin ieder onderdeel voortbouwt op wat daarvoor gebeurde.
Uiteindelijk gaat het niet om de activerende werkvorm
Bij Dock20 trainen we veel in activerende didactiek. Onze basistraining Your Ideal Classroom en het boek Your Ideal Classroom bevatten een groot repertoire aan activerende werkvormen. Maar die werkvormen zijn uiteindelijk vooral het middel.
De diepere bedoeling van de training en het boek zit op de mindsetlaag: anders leren kijken naar hoe je onderwijs ontwerpt, naar wat een groep nodig heeft en naar de ruimte die je studenten daarin geeft. Veel deelnemers komen voor nieuwe werkvormen, maar ervaren juist op die laag de grootste verandering.
Of je nu op zoek bent naar activerende werkvormen in het mbo, activerende werkvormen in het hoger onderwijs of naar inspiratie voor een specifiek vak, zoals activerende werkvormen voor bètadocenten:
Uiteindelijk is het kennen van veel werkvormen niet de kunst.
De kunst is om te kijken naar de studenten die voor je zitten en jezelf steeds opnieuw af te vragen:
Wat wil ik hier activeren?
En welke uitnodiging hebben deze studenten nodig om daarin zelf naar voren te stappen?
Want uiteindelijk is dat voor mij de essentie van activerende werkvormen: niet studenten bezighouden, maar ruimte creëren waarin zij zelf kunnen meedoen, ontdekken en leren.
Meer ontdekken over activerend onderwijs?
Bedankt voor het lezen van dit artikel. Hopelijk heeft het je geïnspireerd! Wil je meer ontdekken over activerend onderwijs en hoe je dit in de praktijk kunt toepassen? Plan dan gerust een adviesgesprek met mij in, sluit aan bij een van onze gratis online inspiratiesessies of download onze brochure over de training Activerend Onderwijs. Al onze trainingen zijn beschikbaar als incompanytraject. Daarnaast bieden we drie trainingen aan via open inschrijving.